line
tabakslobbyisten geen toegang-1

Tweede Kamer is wel degelijk gebonden aan FCTC-verdrag

donderdag 15 juli 2021

Het FCTC-verdrag van de WHO geldt ook voor het parlement, omdat álle overheidsorganen nu eenmaal aan de bepalingen van elk door Nederland geratificeerd verdrag gebonden zijn, betoogt Phon van den Biesen in NRC. De advocaat van Rookpreventie Jeugd reageert daarmee op een commentaar van de krant dat anders beweerde.

Door de webredactie

“Van sommige moties is het maar beter dat ze verworpen worden”, begon het hoofdredactioneel commentaar in NRC van 7 juli. De krant doelde op de motie van Volt-Kamerlid Nilüfer Gündoğan om artikel 5.3 van het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (FCTC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) bindend te verklaren voor leden van het parlement.

Het bewuste FCTC-artikel schrijft voor dat verdragspartners hun tabaksontmoedigingsbeleid moeten beschermen tegen de invloed van de tabakslobby. Nederland tekende het verdrag in 2005 en de Tweede en Eerste Kamer ratificeerden het daarna. Volgens NRC is het ‘staatsrechtelijk onjuist’ de Eerste en Tweede Kamer tot orgaan van de overheid te rekenen.

“Dat staat op gespannen voet met de grondwet én de Algemene Wet Bestuursrecht”, aldus de krant. “En het is de omgekeerde wereld in de verhouding tot het kabinet. De enig begaanbare weg zou zijn om het presidium van de Kamer het eigen reglement beter te laten aansluiten op de gedragsregels van de overheid bij het FCTC-verdrag.

“Maar ook dan zal de Kamer met de tabakslobby moeten kunnen praten, ‘ingetogen’, ‘zakelijk’, ‘technisch’ of gewoon langs de eigen individuele maatstaf van nut en noodzaak. Hoe groot de weerstand tegen dit product is, en ook moet zijn, de uitingsvrijheid hoeft er niet door te worden aangetast.”  

‘Motie Gündoğan was een open deur’

Phon van den Biesen, advocaat die Rookpreventie Jeugd op verschillende fronten bijstaat, is het oneens met die visie. In een reactie in NRC zet hij vandaag uiteen waarom. Van den Biesen stelt vast dat de tabaksindustrie een uitzonderlijke industrie is, omdat deze een zeer verslavend product maakt dat jaarlijks wereldwijd 8 miljoen doden veroorzaakt, in Nederland alleen al 20.000 doden per jaar. Het FCTC-verdrag is gericht op het terugdringen van het gebruik van dit verslavende product en beoogt mede de tabakslobby de pas af te snijden.

De motie van Gündoğan was eigenlijk een open deur, betoogt Van den Biesen, omdat “álle overheidsorganen nu eenmaal aan de bepalingen van elk door Nederland geratificeerd verdrag gebonden zijn. [...] Dat volgt onder meer uit het internationale aansprakelijkheidsrecht, dat zegt dat een staat een verdrag schendt als een orgaan van die staat in strijd met dat verdrag handelt. Die algemene binding is ook logisch want zonder dat zou naleving van een verdrag per definitie nooit verzekerd zijn. De Algemene Wet Bestuursrecht, waarnaar in dit verband wel wordt verwezen, maakt dit niet anders, al was het alleen maar omdat het niet mogelijk is bij nationale wetgeving het systeem van internationaalrechtelijke staatsaansprakelijkheid te wijzigen. Het Internationaal Gerechtshof heeft dat meerdere malen bevestigd.”

Parlement stemde zelf in met FCTC-verdrag

Eerste en Tweede Kamer hebben zelf met het verdrag ingestemd en daarmee ook met de uitzondering op de regel dat de Kamer een eigen verantwoordelijkheid heeft en de eigen gedragsregels bepaalt. Dat is niet strijdig met de Grondwet, stelt Van den Biesen. “Voor zover dat wel het geval zou zijn, wordt eventuele twijfel daarover weggenomen door artikel 5.3 in de wet te verankeren. Een wet is hoe dan ook nodig omdat de rechtbank Den Haag in 2015 uitsprak dat de rechter de burger pas de bescherming van artikel 5.3 kan geven als de inhoud van artikel 5.3 naar Nederlandse wetgeving is overgezet.”

Als zo’n wet er komt, moet het presidium van de Kamer, “bijvoorbeeld middels de Gedragscode” die wet implementeren, concludeert Van den Biesen.

tags:  FCTC-verdrag | motie | politiek | Rookpreventie Jeugd | tabakslobby | Tweede Kamer | wetgeving | WHO