line
fctcrechtsspraak-1

Formulering FCTC verdrag maakt het lastig om juridisch antirookmaatregelen af te dwingen

donderdag 29 september 2016

Zowel de Stichting Rookpreventie Jeugd (SRPJ) als Clean Air Nederland (CAN) spanden rechtszaken aan tegen de overheid. Zij claimden dat de publieke gezondheid niet wordt beschermd, zoals bedoeld in het internationale antirookverdrag FCTC. CAN won én verloor een zaak, de SRJP kreeg van de rechter ook geen gelijk. TabakNee liet de uitspraken vergelijken.

Door de webredactie

‘CAN verliest rechtszaak over rookruimtes’ gonst het na 14 september in de media. Clean Air Nederland had de zaak aangespannen omdat de Nederlandse overheid met de ondertekening van het internationale FCTC-verdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie, heeft beloofd haar burgers zo goed mogelijk tegen de gevaren van roken te beschermen. Volgens CAN zijn de toelating van rookruimtes in de horeca een ongewenste uitzondering op het rookverbod, waardoor de overheid de bescherming van de volksgezondheid niet volledig nakomt. CAN beriep zich op artikel 8.2 van het FCTC-verdrag.

Te weinig concreet

De rechtbank oordeelde dat het artikel in het verdrag te weinig concreet was om een 100% rookverbod af te kunnen dwingen. In 2014 had CAN nog wél een rechtszaak tegen de overheid gewonnen door een beroep te doen op artikel 8.2 van het FCTC-verdrag. Daardoor werd de uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés teruggedraaid.
Stichting Rookpreventie Jeugd (SRPJ) spande najaar 2014 ook een zaak aan tegen de overheid omdat bleek uit documenten die waren vrijgegeven na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur, dat de overheid contact met de tabaksindustrie had gehad. Er is vastgelegd in artikel 5.3 van het FCTC-verdrag dat de overheid zich juist van dat contact moet onthouden als ze antirookbeleid maakt. De SRPJ verloor de rechtszaak. Ook hier oordeelde de rechtbank dat het FCTC-verdrag geen directe werking had en de SRPJ dus geen aanspraak op naleving van het betreffende artikel kon maken.

Hoe kan het dat CAN eerst wél succesvol een beroep kan doen op artikel 8.2 van het FCTC-Verdrag, en bij een tweede zaak (over rookruimtes) niet meer? Bij de uitspraak in de tweede zaak gebruikt de Rechtbank in Den Haag bovendien ogenschijnlijk dezelfde argumenten als bij de uitspraak in de zaak die de SRPJ aanspande. TabakNee heeft de uitspraken laten vergelijken door advocate Geertje Creijghton om daar duidelijkheid in te krijgen.

Terugdraaien

Creijghton concludeert dat de CAN-zaak in 2014 ging over de vraag of het terugdraaien van het rookverbod voor kleine cafés in strijd was met artikel 8.2 van het FCTC-verdrag: “Dat artikel verplicht de verdragstaten tot een effectieve bescherming van de bevolking tegen blootstelling aan tabaksrook in de door het artikellid aangeduide plaatsen, waaronder openbare gebouwen en bepaalt dat deze bescherming geldt voor een ieder die deze gebouwen wil betreden.”
De rechtbank overweegt in de zaak over de rookruimtes dat de context wezenlijk anders is dan de context van de zaak over de uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés. Creijghton: “In 2014 ging het om een uitzondering van het rookverbod, die pas later was ingegaan, nadat eerst een algeheel rookverbod voor de horeca gold. Door dat algehele verbod was een beschermingsniveau bereikt dat nadien werd terug gedraaid voor kleine cafés naar een lager niveau.”
In de zaak over rookruimtes dit jaar betoogt CAN dat in artikel 8.2 van het FCTC-verdrag de norm besloten ligt dat in voor het publiek toegankelijke ruimten een algeheel rookverbod dient te gelden en dat rookruimtes daarom niet zouden moeten mogen. “De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke norm niet in de tekst van artikel 8.2 besloten ligt,” zegt Creijghton. “Evenmin kan volgens de rechtbank worden gezegd dat ten tijde van de totstandkoming van het verdrag overeenstemming bestond over deze norm of dat de effectieve maatregelen die moesten worden genomen om artikel 8.2 in te vullen slechts op één manier konden worden genomen.“

Te ruim omschreven

In de zaak van de SRPJ oordeelde de rechtbank dat “zowel de inhoud van artikel 5.3 als het resultaat dat ermee wordt beoogd, mede gelet op de strekking van het artikel en de systematiek van het verdrag, onvoldoende nauwkeurig zijn om door nationale rechters rechtstreeks te kunnen worden toegepast. De beoogde bescherming van het tabaksontmoedigingsbeleid is te ruim omschreven waardoor de nationale rechter niet kan beoordelen of de Staat uitvoering heeft gegeven aan die verplichting.”
De conclusie van Creijghton: “De rechtbank beschouwt artikel 5.3 FCTC dus als een ‘vagere’ norm dan artikel 8.2. Het laatstgenoemde artikel heeft volgens de rechtbank weliswaar rechtstreekse werking, doch in die norm kan niet een geheel rookverbod in de door Clean Air Nederland bedoelde zin worden ingelezen.”

Uit de rechtszaken tot nu toe blijkt aldus dat de context voor artikel 8.2 belangrijk is om de werking ervan in te roepen. Een beroep op artikel 5.3 heeft sowieso geen kans van slagen, omdat de rechtbank heeft besloten dat aan dat artikel geen rechtstreekse werking toekomt.

 

tags:  antirookbeleid | FCT | juridisch | tabaksontmoediging