line
pmi aan tafel bij cop9-1

Philip Morris bewijst: FCTC-artikel 5.3 schreeuwt om wettelijke verankering

donderdag 07 oktober 2021

OPINIE
Met een ongeloofwaardig verhaal over de overeenkomsten tussen klimaatverandering en de tabaksepidemie, tracht tabaksfabrikant Philip Morris alsnog aan tafel te komen bij een tweejaarlijkse conferentie over tabaksontmoediging van de WHO. Alle reden om FCTC-artikel 5.3 nog meer rechtskracht te geven.

Door Bas van Lier

Met een vergelijking met het internationale overleg over klimaatverandering probeert Philip Morris International (PMI) zichzelf naar binnen te praten bij de aanstaande 9e Conference of the Parties (COP9). In die conferentie bespreken de ruim 180 landen die het internationale Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (FCTC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ondertekenden de voortgang van de tabaksbestrijding. In een statement dat eind september op de eigen website is geplaatst, betoogt Philip Morris dat alle grote wereldproblemen worden opgelost door overleg te voeren met alle betrokkenen. Tabaksfirma’s zouden daarom mee moeten kunnen praten over de bestrijding van de wereldwijde tabaksepidemie, vooral omdat ze daar zelf al zo’n goede oplossing voor hebben in de vorm van ‘rookloze’ alternatieven voor de tabakssigaret.

Het lijdt geen twijfel dat het FCTC-secretariaat deze drogredenering doorziet en de deuren op basis van de eigen, in het Kaderverdrag vastgelegde regels stevig gesloten houdt voor de industrie. Want de tabaksindustrie heeft, zoals bekend, slechts één doel en dat is zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk verslaafd maken aan nicotine. Met jaarlijks wereldwijd 8 miljoen doden tot gevolg.

Alternatieven zijn ook schadelijk

Dat beaamt Philip Morris met zoveel woorden dan ook: “Op het spel staat de gezondheid van de volwassen rokers in de wereld – van wie de overgrote meerderheid in een bepaald jaar niet stopt met roken.” Dat klopt: 80 procent van de rokers geeft aan wel te willen stoppen, maar slechts 5 tot 10 procent van degenen die een stoppoging doen lukt dat ook zonder begeleiding. Dat is niet verwonderlijk, de tabaksindustrie heeft in de loop van de jaren haar sigaretten met allerlei toevoegingen steeds verslavender gemaakt, waardoor het voor veel rokers ook steeds moeilijker is om te stoppen.

Wie het niet lukt om te stoppen zou in de visie van Philip Morris maar moeten overstappen op vormen van elektronisch roken, maar dat zijn ‘alternatieven’ die de nicotineverslaving in stand houden, die ook schadelijk zijn voor de gezondheid en die in veel gevallen afwisselend worden gebruikt met tabakssigaretten.

Artikel 5.3 is cruciaal

Het FCTC-verdrag van de WHO is een wereldwijd verdrag ter bescherming van de volksgezondheid tegen de dodelijke tabaksverslaving. Onder alle maatregelen om het tabaksgebruik terug te dringen kent het verdrag ook het cruciale artikel 5.3 dat aangesloten landen opdraagt de tabaksindustrie geen enkele invloed te geven bij het ontwikkelen en vaststellen van tabaksbeleid en -regelgeving. Beleidsmakers moeten daarom elke vorm van overleg of samenwerking met de tabaksindustrie uit de weg gaan.

In zijn statement stelt Philip Morris dat de richtlijnen over de uitvoering van dit artikel aangeven dat contact met de tabaksindustrie soms noodzakelijk is, “zolang dat maar transparant is en wordt verantwoord”. Maar dat is een verdraaiing van de betekenis van de richtlijn, die niet geldt voor overleg in het algemeen, maar alleen voor het contact dat bij uitzondering noodzakelijk is voor de uitvoering van al vastgesteld beleid en regelgeving.

Wat volgt in de tekst van PMI is op zijn zachtst gezegd nogal cynisch. Philip Morris stelt dat het artikel 5.3 ‘respecteert en ondersteunt’ en dat het een principe van goed bestuur is om beleidsvorming te beschermen tegen commerciële en andere gevestigde belangen. Om dan te beweren: “PMI opereert transparant en maakt zijn lobbyactiviteiten, politieke bijdragen en deelname aan bedrijven en handelsverenigingen openbaar. Maar dergelijke interacties worden vaak voorkomen door een overweldigende anti-tabaksagenda.”

Transparantie is ver te zoeken

Los van het feit dat het aan de overheidsinstanties is om transparant te zijn over hun contacten met de tabaksindustrie, is de bewering van PMI dat het zelf zo transparant zou zijn over zijn lobby er een waar Pinokkio een lange neus van zou krijgen. Bijna alle stukken op TabakNee bewijzen het tegendeel. Dankzij via rechtszaken gedwongen vrijgegeven en door klokkenluiders gelekte documenten (allemaal gedigitaliseerd verzameld in de Truth Tobacco Industry Documents), is er meer inzage gekomen in de, vaak onzichtbare, lobby die de industrie heeft gevoerd om mensen aan het roken te houden. Daardoor weten we nu bijvoorbeeld dat de tabaksindustrie al vroeg wist dat roken kankerverwekkend is, maar dat zo lang mogelijk onder de pet heeft willen houden om geen inkomsten te missen.

Rechtszaak tegen de staat

Inderdaad, de lobby van PMI en branchegenoten wordt met recht gedwarsboomd door de anti-tabaksagenda. Letterlijk met recht, omdat de deelnemers in het FCTC-verdrag dat nu eenmaal met elkaar hebben afgesproken. De rechtszaak die Rookpreventie Jeugd in 2015 tegen de Nederlandse staat voerde om naleving van FCTC-artikel 5.3 te eisen, liet echter zien dat vooralsnog alleen de ondertekenaars van het verdrag elkaar op de naleving ervan kunnen aanspreken, dus niet burgers en maatschappelijke organisaties zolang artikel 5.3 niet in Nederlandse wetgeving is omgezet.

Destijds was staatssecretaris voor Volksgezondheid Martin van Rijn alleen al naar aanleiding van de dagvaarding van Rookpreventie Jeugd zo verstandig om de verplichting tot naleving van artikel 5.3 te benadrukken met een verduidelijking over de omgang met de tabaksindustrie en een intern protocol voor ambtenaren en beleidsmakers. Zijn opvolger Paul Blokhuis heeft die lijn met kracht voortgezet. Een protocol is echter niet meer dan een richtlijn, waar de overheid ooit zonder juridische gevolgen weer vanaf zou kunnen wijken.

Tijd voor wettelijke verankering van 5.3

Juist omdat de tabaksindustrie keer op keer blijft proberen de deur naar de overheid open te wrikken – en nu met het argument dat ze zulke goede alternatieven te bieden heeft –, pleit Rookpreventie Jeugd al enige tijd voor verankering van artikel 5.3 in de Nederlandse wet. In zo’n wetsartikel wordt vastgelegd dat voor een uitzonderlijke industrie – namelijk de enige industrie die een zo verslavend en dodelijk consumentenproduct op de markt brengt dat twee derde van zijn gebruikers eraan overlijdt – de uitzonderlijke maatregel geldt van uitsluiting van overleg met beleidsmakers. En dat is inclusief parlementariërs.

In het tabaksontmoedigingsdossier heeft de tabaksindustrie letterlijk geen recht van spreken, want alles wat zij daarbij te berde wil brengen is contraproductief en slechts bedoeld om de eigen commerciële en gevestigde belangen te verdedigen.

tags:  COP9 | FCTC-verdrag | PMI | tabakslobby | tabaksontmoediging | wetgeving | WHO