line
ambtenaren zijn doof-1

Ambtelijke nota over gezondheid-gerelateerde belastingen laat tabak vrijwel ongemoeid

vrijdag 19 juni 2020

OPINIE
In een nieuw rapport  van de minister van Financiën aan de Tweede Kamer wordt iets meer aandacht besteed aan tabak dan in het eerdere ‘Een toekomstbestendig zorgstelsel’, maar nog steeds onvoldoende.

Door Rob Giebels en Frits van Dam*

Op 1 mei stuurde de minister van Financiën het rapport ‘Gezondheidsgerelateerde belastingen’ naar de Tweede Kamer, onderdeel van de zogeheten Brede maatschappelijke heroverwegingen waarin het ministerie beleidskeuzes inventariseert voor de opstellers van het Regeerakkoord na de verkiezingen van 2021. Gelukkig wordt in het onderhavige rapport wat meer aandacht aan tabak besteed dan in het tien dagen eerder verschenen ‘Een toekomstbestendig zorgstelsel’, dat wij bekritiseerden vanwege het nagenoeg ontbreken van nieuwe maatregelen om de tabaksindustrie te belemmeren jeugdigen verslaafd te maken.

Probleem bekend

De opstellers van het rapport ‘Gezondheidsgerelateerde belastingen’ zijn zich bewust van het probleem; de maatschappelijke kosten van roken, jaarlijks ruim 30 miljard euro, en tabak als de belangrijkste te voorkomen doodsoorzaak. Zoals het rapport vermeldt ‘raken er ieder week honderden kinderen verslaafd aan roken. Als zij blijven roken is de kans meer dan 50% dat zij aan de gevolgen daarvan zullen overlijden’. Het rapport wijst erop dat het deel van de bevolking met weinig inkomen en opleiding (‘de lage SES’) extra zwaar wordt getroffen door het verslavingswerk van de tabaksindustrie.

Het rapport benadrukt dat het niet alleen gaat om rokers te laten stoppen maar ook te ‘voorkomen dat niet-rokers ermee beginnen’. Helaas gaat het inzicht niet zover dat wordt onderkend dat het beleid zich dan ook in het bijzonder moet richten op jeugdigen, want dat zijn degenen die ermee beginnen. De gemiddelde leeftijd waarop rokers en ex-rokers zijn begonnen met roken, is 17 jaar. Twee derde van de rokers is begonnen met roken voor zijn 18e.

Het rapport wijst specifiek op het gevaar van e-sigaretten voor de volksgezondheid en het belang van maatregelen om het snel groeiende gebruik onder jongeren tegen te gaan met specifiek het overstappen naar het roken van een ‘normale’ sigaret.

Fiscale instrumenten

Goed, die inzichten zouden dan toch voldoende moeten zijn om de opstellers van het nieuwe regeerakkoord te adviseren in te zetten op stevige maatregelen? Welke fiscale instrumenten zijn dan effectief? Het rapport noemt er een paar:

  • - Verhoging van tabaksaccijns
  • - Introductie van een verbruiksbelasting(heffing) op e-sigaretten
  • - Introductie van een minimumprijs voor sigaretten

Volgens het rapport blijkt uit de literatuur dat een jaarlijks stapsgewijze verhoging van de prijs met 5-10 procent het meest effectief is. En dat vooral jongeren gevoelig zijn voor prijsstijgingen. Bij hen is de prijselasticiteit tussen de 0,5 en 0,9. Dat wil zeggen dat wanneer de prijs van een pakje sigaretten met 10 procent stijgt, de vraag naar sigaretten met 5 à 9 procent daalt.

Ook voor mensen met weinig opleiding en inkomen blijkt vooral prijsverhoging effectief te zijn. Het rapport stelt dat een prijsverhoging van tabak een van de weinige effectieve maatregelen is om de gezondheidsverschillen tussen hogere en lagere inkomens te verkleinen.

Het rapport verwijst naar het eerdere advies van het RIVM om de prijs per pakje sigaretten tot 10 euro te verhogen om de doelstellingen uit het Nationale Preventieakkoord te realiseren. Met e-sigaretten ligt het anders, die bevatten geen tabak en vallen daarmee niet onder de (EU) richtlijnen inzake accijns op tabak. Ontmoediging van het gebruik kan dan ook niet via accijnzen maar moet via de introductie van een verbruiksbelasting of door een wettelijke minimumprijs.

Krachteloos en weinig doordacht

Concreet adviseert het rapport tot de volgende maatregelen:

  • - Verhoging van de tabaksaccijns met jaarlijks 5-10 procent tot de doelen van het Preventieakkoord zijn gehaald.
  • - Introductie van een verbruiksbelasting op nicotinehoudende en niet-nicotinehoudende vloeistoffen die gebruikt kunnen worden in e-sigaretten.

En daar blijft het bij.

In combinatie met het eerder besproken rapport ‘Toekomstbestendig zorgstelsel’ wordt nog eens duidelijk dat de bestrijding van de maatschappelijke schade die de tabaksindustrie veroorzaakt krachteloos is en weinig doordacht, en getuigt van een enorme beleidsarmoede.

Wil de strijd tegen het verdienmodel van de tabaksindustrie (gebaseerd op het verslaafd maken van jeugdigen) effectief zijn, dan moet het uitgangspunt voor beleid het besef zijn dat de tabaksindustrie zich primair richt op de jeugd: volwassenen beginnen niet te roken, die zijn wel wijzer. Wil de samenleving dus iets doen aan de schade die de tabaksindustrie veroorzaakt, dan moet het beleid voorkomen dat de tabaksindustrie de jeugd aan de (al dan niet e-)sigaret krijgt.

En dan is een echt stevige prijsverhoging een goed middel, dat is al zo lang bekend. Zoals het rapport onderkent: de jeugd is heel gevoelig voor prijsstijgingen van sigaretten.

Accijnsverhoging

Zo’n prijsstijging kan met een verhoging van accijns. Het rapport stelt dat verhoging in stappen van 5-10 procent het meest effectief blijkt te zijn. Dit wordt gebaseerd op de publicatie ‘Effecten van accijns en prijs op het gebruik van tabaksproducten’ van het Trimbosinstituut uit 2015. In deze publicatie is echter geen onderbouwing voor deze bewering te vinden. Wel wordt daar vermeld dat bijna de helft van de niet-rokers een prijsstijging van 5 procent sterk zou steunen. De tijden zijn inmiddels wel veranderd: in 2018 was een ruime meerderheid van de Nederlanders voor een forse accijnsverhoging.

Opvallend is dat in het rapport wel de introductie van een minimumprijs voor sigaretten wordt genoemd, maar dit niet is opgenomen als geadviseerde maatregel. En dat terwijl deze maatregel niet onbelangrijk is omdat de praktijk uitwijst dat tabaksfabrikanten goedkope sigaretten aanbieden, waarmee zij de jeugd verslaafd kunnen maken. Als deze jonge rokers ouder worden en meer geld te besteden hebben, gaan zij over op duurdere merken. Uit recent onderzoek, verricht in 23 Europese landen, bleek dat prijsverschillen leiden tot meer verkochte sigaretten. Bovendien zou met een wettelijk vastgelegde minimumprijs ook de e-sigaret worden bereikt.

Tabaksverslavingsfonds en vergunningenbeleid

Om te voorkomen dat de introductie van een minimumprijs de winsten van de tabaksindustrie nog verder omhoog zou stuwen, kan een minimumprijs gecombineerd worden met de oprichting van een tabaksverslavingsfonds, waarin de industrie een deel van de tabaksomzet in Nederland moet storten en waaruit de kosten van de bestrijding van de gevolgen van tabaksverslaving worden betaald.

In beide ambtelijke rapporten ontbreekt enige aandacht voor een belangrijk instrument om te voorkomen dat de jeugd in verleiding wordt gebracht om te beginnen met roken en daar aan verslaafd te raken, namelijk een zeer restrictief vergunningenbeleid voor de verkoop van tabak en e-sigaretten.

De opstellers van het komende regeerakkoord hebben meer dan ooit behoefte aan nuttige suggesties om de maatschappelijk schade die de tabaksindustrie veroorzaakt te beperken. De adviezen van het ministerie van Financiën die er nu liggen helpen daar niet echt bij. Er is veel meer nodig. Het is de moeite waard om daar beter over na te denken. De tabaksindustrie moet het zo moeilijk mogelijk worden gemaakt om de jeugd verslaafd te maken en dat kan.

*Rob Giebels en Frits van Dam zijn resp. penningmeester en secretaris van de Stichting Rookpreventie Jeugd.

tags:  accijnsverhoging | jongeren | politiek | rookpreventie | tabaksverslavingsfonds | vergunningstelsel