Hoe kinderen te beschermen tegen de tabaksindustrie

vrijdag 21 juli 2017

Om kinderen te beschermen tegen tabak bieden internationale verdragen een goede basis. In de praktijk moet men echter balanceren tussen protectie en autonomie. En voor het ongeboren kind is er nog helemaal niets geregeld. Het European Scientific Network on Law and Tobacco (ESNLT) organiseerde 27 juni jl. een bijeenkomst om over de verschillende juridische aspecten van tabaksontmoediging te praten.

Door Janneke Donkerlo

Tijdens een bijeenkomst op 27 juni, georganiseerd door het dit jaar opgerichte European Scientific Network on Law and Tobacco (ESNLT), spraken rechtswetenschappers met elkaar over kinderen en tabak. Het ESNLT wil een kennisplatform zijn van rechtswetenschappers voor de juridische aspecten van het reguleren van tabak. 

Roken meestal geen rationele keuze

“Waarom gaan kinderen roken?”, vraag de eerste spreker op de bijeenkomst zich hardop af. Aan het woord is Anton Kunst, hoogleraar sociale epidemiologie. “Is dat wel een rationele keuze?” Hij beantwoordt de vraag zelf: Nee, daarvan is bij pubers nog geen sprake. Die rationaliteit ontbreekt overigens ook bij volwassen verslaafde rokers. Zij doen soms wel 30 stoppogingen en rationele overwegingen helpen daarbij vaak niet.

De 250.000 Europese jongeren die jaarlijks rond hun vijftiende jaar verslaafd raken aan tabak maken geen rationele afweging. Zouden ze dat wel doen, dan zouden ze niet gaan roken. Want wie wil er nu aan een nare tabak-gerelateerde ziekte overlijden? Die kans is 50%; voor Europa betekent dit ca. 700.000 tabaksdoden per jaar. Bij pubers is er vrijwel altijd sprake van groepsdruk (experimenteren, erbij willen horen). Zien roken, doet roken. Dat geldt zowel voor kinderen die omgaan met rokende vriendjes of vriendinnetjes als voor kinderen waarvan de ouders roken; zij hebben een veel grotere kans om ook verslaafd te raken. Kwetsbare jongeren - in een toch al kwetsbare periode in hun leven - zijn bovendien extra ontvankelijk voor tabaksverslaving.

Essentiele randvoorwaarden

Gezien de irrationele besluitvorming op deze leeftijd zou bescherming van die kinderen de nadruk moeten krijgen. Maar hoe doe je dat? Volgens Kunst kun je denken aan wettelijke maatregelen, zoals een rookverbod op het schoolterrein, verkoopverbod aan jongeren en een uitstalverbod. Maar de vraag is: helpen die maatregelen wel? Of beter nog: wanneer wel en wanneer niet? Een rookverbod op school zal bijvoorbeeld wel werken als er duidelijke sancties op staan, als de groepsdruk om te roken niet te groot is en als de maatregel een groeiende niet-roken-norm ondersteunt. Het helpt echter minder goed - of helemaal niet - als de pakkans klein is en de sancties laag. Als pubers het idee krijgen belemmerd te worden in hun autonomie, zullen zij eerder geneigd zijn om te rebelleren (“wij bepalen zelf wel wat we doen!”) en vervolgens gezamenlijk elders gaan roken.

Ook het verhogen van de leeftijd bij het verkoopverbod zal weinig effect hebben als jongeren via hun sociale netwerken (zelfs via hun ouders!) aan tabak kunnen komen. En tot slot het effect van het uitstalverbod: dit kan ertoe leiden dat roken niet meer als ‘normaal’ wordt beschouwd en minder verleidt tot het kopen van sigaretten. Maar of dat echt zo is, moet nog nader worden onderzocht.

Blootstelling tabak

Volgens onderzoeker Marie Elske Gispen, medeoprichter van het ESNLT, zijn er drie momenten waarop kinderen te maken krijgen met tabak. Gispen kreeg voor haar onderzoeksproject subsidie van KWF Kankerbestrijding.
Het eerste moment, zegt Gispen, is tijdens de productie van tabak. Deze vindt voor 90% plaats in 20 landen waar kinderen - vaak informeel - worden ingezet. Denk aan arme landen als Malawi. Onbeschermd contact met tabaksplanten kan leiden tot Green Tobacco Sickness, een ziekte waarbij nicotine uit de plant door de huid wordt opgenomen, wat leidt tot algehele malaise.
Als tweede moment noemt ze de periode als kinderen zelf nog niet roken, maar al wel worden blootgesteld aan tabaksrook. Volgens de WHO ademt de helft van de Europese kinderen regelmatig rook in van anderen. Een aparte positie is die van het ongeboren kind dat het gif meekrijgt via de zwangere – rokende - moeder of de rokende vader.
Het derde moment is tijdens zelf het roken van tabak. Om de voortijdig overleden rokers te vervangen, richt de tabaksindustrie van oudsher haar pijlen op jongeren. Zij vormen de replacement smokers.

Sterk juridisch kader

Op welke verdragen kunnen juristen zich beroepen in de strijd tegen tabak? Het oudste juridische kader is de International human rights law uit 1966.. Het Kinderrechtenverdrag maakt daar deel van uit, maar bestaat pas sinds 1989. Het Kinderrechtenverdrag zet het belang van het kind voorop.

Drie artikelen zijn vooral van belang bij de verschillende ontwikkelingsfases van kinderen tussen 0 en 18 jaar:

  • Op basis van artikel 6 - the right to life and development – is de staat verplicht om kindersterfte omlaag te brengen en situaties te scheppen die het welzijn van het kind ondersteunen in de beslissende periodes in hun leven. Jonge kinderen blootstellen aan tabaksrook kan hiermee aan de kaak gesteld worden.
  • Op basis van artikel 17 - the right of information – hebben pubers recht op informatie die belangrijk is voor hun gezondheid. Bij het maken van wetten en het geven van voorlichting - met name als het gaat om tabak - moeten overheden hiermee rekening houden.
  • Op basis van artikel 24 – the right to the highest attainable standard of health - is de staat verplicht om kinderen te beschermen tegen voorkombare ziektes. Het kinderrechtencomité, dat toeziet op de naleving van het verdrag en de verschillende rechten verder interpreteert, stelt dat staten kinderen moeten beschermen tegen tabak, onder meer door de regulering van verkoop, promotie en reclame.

Het FCTC-verdrag uit 2003 is gericht op iedereen, dus niet alleen kinderen. Het verplicht overheden tot:

  • artikel 8 (protection against tobacco smoke exposure)
  • artikel 11 (packaging and labelling restrictions)
  • artikel 12 (active contribution to awareness and education on tobacco).

Voor de bescherming van kinderen in productielanden kan de International Labour Law van betekenis zijn.

Met deze drie verdragen in de hand kunnen artsen en wetenschappers druk uitoefenen op de overheid en de tabaksindustrie door middel van naming and shaming. Ook individuele burgers kunnen er een beroep op doen. Het wordt dan een politiek instrument zoals bij de potentiele strafzaak van de Nederlandse staat tegen de tabaksindustrie. Mensenrechtenverdragen kunnen hierbij echter alleen inspireren; de rechtsgrond van de zaak is de Nederlandse strafwet.

Naast bovengenoemde verdragen zijn er richtlijnen geformuleerd voor het bedrijfsleven (de Ruggie Guiding Principles on human rights and transnational corporations and other business enterprises uit 1990), maar deze zijn niet wettelijk verankerd.

Betutteling of bescherming

Een belangrijk dilemma bij het interpreteren van verdragen is de vraag hoever de overheid kan gaan als privacy en autonomie in het geding zijn. Hierover liet kinderrechtenspecialist Ton Liefaard tijdens de bijeenkomst zijn licht schijnen. Het Kinderrechtenverdrag heeft de kijk op kinderen ingrijpend veranderd. Het maakt voor het eerst onderscheid tussen de belangen van volwassenen en kinderen die nog in ontwikkeling zijn. Alleen de Verenigde Staten hebben het verdrag niet ondertekend uit allergie voor federale overheidsbemoeienis en uit angst dat de rechten van ouders worden ingeperkt. Deze angst is volgens Liefaard echter ongegrond, omdat het verdrag het kind juist ziet als onderdeel van een gezin waar ouders de eerste verantwoordelijkheid dragen. De overheid heeft formeel een ondersteunende rol, ervan uitgaande dat de ouders zo goed mogelijk het belang van hun kinderen dienen.

Het Kinderrechtenverdrag erkent enerzijds dat kinderen kwetsbaar en afhankelijk zijn en bescherming nodig hebben tegen geweld, uitbuiting en dergelijke. Maar het geeft kinderen ook het recht om gehoord te worden; de gezichtspunten van kinderen moeten ook meegewogen worden (zie de hierboven genoemde verdragsartikelen).

Deze twee uitersten (bescherming en recht op privacy) gelden voor periode van 0 tot 18 jaar waarbij de mate van bescherming en medezeggenschap per leeftijd verschilt. Gaandeweg zal de houding van ouders (ondersteund door de overheid) idealiter veranderen van paternalisme (als kinderen nog volledig afhankelijk zijn) in autonomie (naarmate kinderen zelf meer verantwoordelijkheid kunnen dragen).

Verbieden of in gesprek blijven

Volgens Liefaard is teveel autonomie bij minderjarigen gevaarlijk, gezien de irrationele keuzes die het puberbrein dan nog maakt. Met het recht op bescherming is een verkoopverbod van tabak dus te verdedigen. Maar - in de geest van het Kinderrechtenverdrag - is het ook belangrijk om de kinderen goed te informeren en met ze in gesprek te gaan. Als je dit niet doet, loop je de kans om ze buiten te sluiten.

Bij wetgeving die betrekking heeft op kinderen moet je je bovendien altijd afvragen of de beschermende aanpak wel de beste is. Zo is het verbieden van seks niet erg succesvol gebleken; beter is het om erover te praten. Overigens is seks een ander onderwerp dan tabak dat immers deadly by design is. Een wereldwijd verbod op tabak (zoals er ook verbod op andere gevaarlijke stoffen bestaat) is echter nog ondenkbaar.

Een van de toehoorders, longarts Pauline Dekker, opperde dat het nadelig kan zijn om het gesprek over te laten aan de ouders. In de sociaal lagere klassen komen namelijk de meeste rokende ouders voor. Door tabaksgebruik niet centraal (lees: door de overheid) te regelen, hebben de kinderen van deze ouders dus pech.

Volgens Kunst is kan het aangaan van het gesprek met pubers soms lastig zijn. Zij reageren vaak met – irrationele – argumenten als: “Zolang ik jong ben kan ik lol maken en roken”, “Als ik stop voor mijn 30e, is het niet schadelijk voor mijn gezondheid” of “Als volwassene zal ik in staat zijn om te stoppen”. Uit onderzoek is gebleken dat het verminderen van verkooppunten kan leiden tot een daling van het tabaksgebruik met 20%. Verbieden kan dus wel degelijk effectiever - en goedkoper – zijn dan dure voorlichting.

Behalve wetten en voorlichting is er nog die andere - zeer effectieve - maatregel om het roken terug te dringen: prijsverhoging. Hier laten juristen zich niet graag over uit, omdat ze zich daarmee op het terrein van overheidsfinanciën begeven. De tabaksindustrie kan intussen stoken onder rokers uit de lagere klasse, die aanvoeren dat zij onterecht gestraft worden.

Rechten van het ongeboren kind

Tot zover kinderen tussen 0 en 18 jaar. Maar hoe zit het met het ongeboren kind? Dit is het vakgebied van Jo Dorscheidt, jurist en universitair docent. Wanneer begint een mens juridisch een mens te zijn? Ongeboren kinderen, in welke fase ook, bestaan juridisch nog niet en worden nog door geen enkel verdrag beschermd. Dorscheidt wijst erop dat ook in de baarmoeder kinderen geschaad kunnen worden door tabak. Bij moeders die tijdens de zwangerschap (mee)roken, kan de placenta loslaten, de kans op miskramen en vroeggeboortes neemt toe, er kunnen problemen ontstaan bij de bevalling en pasgeboren baby’s overlijden relatief vaker aan wiegendood.

De bescherming van het ongeboren kind kan botsen met de abortuswetgeving waarbij het recht van de moeder voorop staat. De grens voor abortus ligt bij 24 weken; hierna is het kind in principe levensvatbaar. Maar ook na deze 24 weken heeft de ongeboren vrucht geen rechtspositie. Vreemd genoeg mogen veroordeelde zwangere vrouwen in de Verenigde Staten niet ter dood gebracht worden; een vorm van sentimentaliteit ligt hier waarschijnlijk aan ten grondslag.

Overigens gaat de abortuswet over het recht om de vrucht te doden; er is nog geen wet om de gezondheid van de ongeboren vrucht te beschermen bijvoorbeeld tegen verslaafde, gestoorde of onverantwoordelijke ouders. Ook bij gevaar of geweld van buiten is het ongeboren kind nog vogelvrij. Dorscheidt pleit daarom voor een prenatal health law en de invoering van prenatal representation. Het erkennen van de rechten van het ongeboren kind schept verantwoordelijkheden. Want wat er onvrijwillig met het kind gebeurt voor de geboorte heeft wel degelijk gevolgen voor diens latere leven.