Hoe onze overheid het internationale anti-rookverdrag aan haar laars lapt. Deel 1: Over het verdrag

maandag 01 september 2014

Wereldwijd vallen zes miljoen doden per jaar door roken, 20.000 doden alleen al in Nederland. Roken is een dodelijke verslaving die door alle landen samen bestreden moet worden, vindt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Nu al 179 landen, waaronder Nederland, onderschrijven dat en verenigden zich in een internationaal anti-rookverdrag, de Framework Convention on Tobacco Control (FCTC). Met haar handtekening heeft Nederland onder meer beloofd dat de tabaksbranche geen invloed krijgt op het rookontmoedigingsbeleid. Maar houdt de overheid zich daar wel aan? Deel 1: wat staat in het verdrag en waarom is het nodig?
Door de webredactie

Het FCTC-verdrag, waaraan al sinds de eerste helft van de jaren '90 is gewerkt, werd op 21 mei 2003 gepresenteerd door de toenmalige Directeur-Generaal van de Wereldgezondheidsorganisatie dr. Gro Harlem Brundtland. "Vandaag ondernemen we actie om miljarden levens te redden en de gezondheid van toekomstige generaties te beschermen," zei ze in een persbericht.
Alleen door internationaal samen te werken, kan het tabaksgebruik, dat volgens diezelfde WHO jaarlijks 6 miljoen mensen het leven kost, worden beteugeld.

Nederland was er vroeg bij. Op 27 april 2005 trad het hier in werking, nadat het parlement zijn goedkeuring had verleend. Met het verdrag verplichten de deelnemende staten zich het gebruik van tabak te ontmoedigen en allerlei maatregelen te nemen die daartoe moeten leiden. Bijvoorbeeld regels om tabaksreclame aan banden te leggen of prijs- en belastingmaatregelen (accijns) zodat tabak duurder wordt en kinderen het niet meer kunnen kopen. Het hele verdrag in het Nederlands staat hier.

Om het verdrag zo goed mogelijk tot zijn recht te laten komen, en om de partijen die het verdrag ondertekenden te helpen bij de uitvoering ervan, zijn er richtlijnen voor de uitvoering van de maatregelen opgesteld, waarin beschreven staat wat een land moet doen om zijn verplichtingen na te komen. Daarvoor was een werkgroep van enkele tientallen landen opgericht. Nederland kreeg samen met vier andere landen de leiding over die werkgroep en speelde als "key-facilitator" een prominente rol.

Artikel 5.3

Een zeer belangrijk, maar slecht begrepen artikel van het verdrag is Artikel 5.3:
"Bij de vaststelling en uitvoering van hun volksgezondheidsbeleid met betrekking tot tabaksontmoediging, nemen Partijen, in overeenstemming met het nationaal recht, maatregelen om dit beleid te beschermen tegen commerciële en andere gevestigde belangen van de tabaksindustrie."

Met andere woorden, de tabaksindustrie mag géén invloed uitoefenen op het ontwikkelen en vaststellen van anti-rookmaatregelen. Alleen als contact strikt noodzakelijk is – bij puur-technische kwesties, bijvoorbeeld over de uitvoering van een al vastgestelde maatregel – mag de sector worden geïnformeerd.

Om artikel 5.3 goed te laten werken, zijn richtlijnen opgesteld. Daarin staat dat niet alleen de tabaksindustrie maar ook organisaties en personen die voor de belangen van de industrie opkomen buiten de deur moeten worden gehouden. En ook dat de richtlijnen gelden voor alle bewindspersonen en ambtenaren in alle lagen van de overheid, dus ook voor provincies, parlement en gemeenten.

Samen met de tabaksindustrie het strand schoonhouden, de stad Groningen promoten of een fonds oprichten om de economische en cultureel-maatschappelijke structuur van de regio Bergen op Zoom te behouden, zoals TabakNee hier en hier constateerde mag niet van het verdrag. De juridische onderbouwing van dit verdrag staat ook op deze site beschreven.

Door Stivoro, de Nederlandse organisatie die zich tot vorig jaar inspande voor een rookvrije toekomst, is een aantal jaren geleden een uitvoerige analyse gemaakt van de mate waarin Nederland zich aan het verdrag houdt, het FCTC-Schaduwrapport 2011. Anders dan dit Schaduwrapport baseert de serie van TabakNee zich op honderden interne stukken van verschillende ministeries.

Lobby

Het verdrag zou een steun in de rug moeten zijn van de Nederlandse overheid die voortdurend wordt bestookt door de tabaksindustrie en haar lobby. Uit alles blijkt dat de overheid een makkelijke prooi is voor gewiekste lobbyisten. "Ik noem het altijd zo als lobbyist: je moet zitten bij diegene die het witte papier voor zich heeft," aldus Michiel Krijvenaar die Philip Morris Holland (producent van Marlboro) adviseert. De Marlboro-fabrikant huurt graag oud-politici in, die hebben korte lijntjes met Den Haag. Alle tabaksfirma's schakelen andere organisaties in (de "stille diplomatie") om een goed woordje voor ze te doen. Favoriet is werkgeversorganisatie VNO-NCW die zich bijzonder inspant voor de belangen van de tabaksindustrie. Over de lobby van de tabaksindustrie heeft TabakNee al veel geschreven. Zie voor een samenvatting het artikel Tabakslobby voor Dummies.

Rapportage

Maar houdt Nederland haar rug recht ten aanzien van de tabaksindustrie, doet ze wat het FCTC-verdrag vereist? Het eerder genoemde FCTC-Schaduwrapport 2011 van Stivoro vindt van niet. De overheid daarentegen vindt van wel, schrijft ze in de tweejaarlijkse verplichte rapportage over de stand van zaken rond het toepassen en invoeren van de maatregelen in het verdrag.

In het laatste verslag uit 2012, schrijft ambtenaar Wieke Tas namens het ministerie van Volksgezondheid onder meer: "We praten alleen met de industrie als het strikt noodzakelijk is. De Nederlandse overheid heeft geen enkel partnerschap of andere niet-bindende overeenkomsten met de tabaksindustrie. Antirookmaatregelen worden in het algemeen niet besproken met de industrie."
In het rapport staat ook: "De Nederlandse overheid is transparant over alle contacten met de tabaksindustrie of detailhandel. Op verzoek leveren we informatie aan over de frequentie en de inhoud van deze contacten en de mensen die daarbij betrokken zijn."

Wobben

Wat betekent het "op verzoek" vrijgeven van informatie in de praktijk? Dat wil zeggen dat iemand een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) moet doen, "wobben" in jargon. Dat de ministeries daarna maanden nodig hebben om de wirwar aan e-mails en brieven te ontrafelen. Dat belangrijke passages zijn weggelakt, net als de namen van de personen, zodat er weinig bekend wordt over "de mensen die daarbij betrokken zijn". Dat van telefoongesprekken vrijwel nooit notities worden gemaakt, terwijl dat een zeer gebruikelijke manier van communiceren is. Dat er bezwaarschriften moeten worden ingediend om notulen in handen te krijgen van vergaderingen met de tabaksbranche, als ze er al zijn.

Van zo'n 45 procent (bijna de helft) van alle niet-openbare bijeenkomsten die TabakNee via de Wob heeft kunnen achterhalen zijn geen notulen beschikbaar. Ze zijn "niet bekend" of niet gemaakt. Niettemin gebeurt het ook dat documenten soms na drie keer navragen, toch blijken te bestaan. Maar dat kan alleen als er een vermoeden is dat er een bepaald document moet zijn. Het is lastig om naar informatie te vragen als je niet weet of die er wel is. De Nederlandse overheid is, kortom, verre van transparant over het tabaksontmoedigingsbeleid en de rol die de tabaksbranche hierin speelt.

Over de serie

In deze serie zal blijken dat de Nederlandse overheid de tabaksindustrie niet alleen maar consulteert bij "uitvoerende maatregelen die een directe invloed op de industrie hebben". De komende dagen zullen we schrijven over hele concrete voorbeelden van overschrijdingen van het verdrag door de ministeries van Financiën, Volksgezondheid en Economische Zaken waarbij, om alvast een tipje van de sluier op te lichten, zelfs vertrouwelijke documenten eerder aan de tabaksindustrie zijn verstrekt dan aan de Tweede Kamer. We maken inzichtelijk hoe de tabaksindustrie een vaste positie als gesprekspartner van de overheid heeft veroverd.

Verdere delen lezen? Klik hier voor deel 2, deel 3 en deel 4.